Contact

Het is  niet altijd eenvoudig om vast te stellen of er sprake is van een zelfstandige of een loondienstverband. Dat blijkt maar weer eens uit een uitspraak in cassatie bij de Hoge Raad van 30 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:343). In deze kwestie wordt achteraf  in 2018 vastgesteld dat er bij een zelfstandige in de zorg sprake is geweest van een loondienstverband (let op in 2014!). Voor deze zelfstandige is destijds een VAR –wuo afgegeven door de inspecteur van de Belastingdienst, omdat de zelfstandige een overeenkomst tot opdracht was aangegaan met de zorginstelling. De rechter is het met die afgifte echter niet eens en oordeelt dat er sprake was van een loondienstverband. De VAR-wuo wordt, tegen de wens van de betrokken partijen in, achteraf omgezet in een VAR-loon.

 

Uit de uitspraak van het gerechtshof blijkt hoe beoordeeld moet worden of er bij een bepaalde overeenkomst een dienstverband bestaat of juist niet:

“Daarbij heeft het Hof vooropgesteld dat acht moet worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dat daartoe niet alleen van belang zijn de rechten en verplichtingen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar ook de wijze waarop partijen aan hun overeenkomst uitvoering hebben gegeven en daaraan aldus inhoud hebben gegeven”.

Ofwel, alle feitelijke omstandigheden wegen mee in de bepaling of er nu sprake is van een dienstverband of niet. In dit specifieke geval is er zelfs naar andere (zorg-)wetgeving gekeken. Uit deze wetgeving blijkt dat het logisch is (op basis van die wetgeving) dat er aanwijzingen of werkinstructies worden gegeven aan medewerkers. Het geven van werkinstructies geeft gezag aan tussen werkgever en werknemer. Er was daarmee sprake van een gezagsverhouding, een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid én een verplichting tot het betalen van loon. Zie daar, de kenmerken van een arbeidsovereenkomst.

243